
Home | Specialisten in letselschade
| 0800-44 55 000
Hof: aan hijskraan hangen is bewuste roekeloosheid, werkgever niet aansprakelijk;
tekortschieten werkgever valt in het niet
Hof 's-Gravenhage 17 juli 2008 105.004368/01 Ongepubliceerd .
Inhoudsindicatie:
Werknemer gaat voor zijn plezier aan een strop, die aan de kraanhaak van een
hijskraan is bevestigd hangen, met de bedoeling zich een stukje omhoog te hijsen
en er dan af te springen. Hij durft niet meer te springen en valt uiteindelijk
van 13 a 18 meter naar beneden. Het hof oordeelt dat sprake is van roekeloos
gedrag. Het hof acht daarbij van belang dat dit gedrag niet voortkwam uit onvoorzichtigheid
vanwege de dagelijkse omgang met kranen en dat het ongevalsrisico zeer groot
was. Benadeelde moet zich direct voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust
moet zijn geweest van het roekeloze karakter' van zijn gedrag; hij wist dat
"het kraanspel” verboden was. Het hof oordeelt voorts dat de werkgever
weliswaar tekort geschoten is, omdat de collega’s van benadeelde niet
waren voorzien van goed welkende communicatiemiddelen, waardoor de gevolgen
van het ongeval mogelijk minder ernstig waren geweest, maar dat tekortschieten
valt in het niet bij het bewust roekeloos handelen van benadeelde.
Vonnis rechtbank
GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE
Zaaknummer: 105.004368/01
Rolnummer (oud): 067156
Rolnummer Rechtbank: 154435 CV EXPL 05-668
arrest van de negende civiele kamer d.d. 17 juli 2008
inzake
[benadeelde], wonende te [X], appellant in het principaal appel, geïntimeerde in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen:[benadeelde],
procureur: mr. J. M. M. Brouwer,
tegen
1. TECHNISCH UlTZENDBUREAU "BD UNITECH" B.V., gevestigd te Dordrecht,
geïntimeerde sub 1 in het principaal appel, hierna te noemen: Unitech,
ten processe niet vertegenwoordigd,
2. HERTEL B.V., gevestigd te Amsterdam, geïntimeerde sub 2 in het principaal
appel, appellante in het voorwaardelijk incidenteel appel, hierna te noemen:
Hertel,
procureur: mr..PJ.M. von Schmidt auf Altenstadt.
Het geding
Bij exploten van respectievelijk 11 en 12 januari 2006 is [benadeelde] in hoger
beroep gekomen van het vonnis van 27 oktober 2005 door de rechtbank Dordrecht,
sector1 kanton, locatie Dordrecht, gewezen tussen enerzijds [benadeelde] en
anderzijds Unitech en Hertel. [benadeelde] heeft bij memorie van grieven vijf
grieven aangevoerd en zijn eis vermeerderd. Hertel heeft bij memorie van antwoord
tevens houdend memorie van grieven in het voorwaardelijk incidenteel appel (met
een productie) deze grieven bestreden en op haar beurt een grief aangevoerd.
Vervolgens heeft [benadeelde] de grief van Hertel bestreden. Tot slot hebben
[benadeelde] en Heitel de stukken overgelegd en arrest gevraagd.
Beoordeling van het hoger beroep
in het principaal en het (Voorwaardelijk) incidenteel appel
1. De door de rechtbank in het bestreden vonnis onder11. 1 tot en met 1,7 vastgestelde
feiten zijn in hoger beroep niet bestreden, Die feiten staan derhalve tussen
partijen vast.
2. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1 [benadeelde] heeft in dienst van Unitech sedert 28 september 1999 als uitzendkracht
werkzaamheden verricht voor Hertel als inlener op het bedrijfsterrein van Corus/Hoogovens
te Velsen.
2.2 Op 5 april 2000 had Unitech behalve [benadeelde] ook haar werknemers A en
B aan Hertel uitgeleend voor het verrichten van steigerbouwwerkzaamheden op
het bedrijfsterrein van Corus/Hoogovens. Die dag stond er een vrij krachtige
wind (4-5 Bft). De temperatuur bedroeg ongeveer 5 ° Celsius
ïn de ochtend moesten de drie collega's een steiger demonteren op de derde verdieping van een fabrieksgebouw. In de middag moesten zij het steigermateriaal verplaatsen van die derde verdieping naar de begane grond, dit alles met behulp van een bovenloopkraan, waarvan de kraanbaan tot buiten het gebouw stak. De bediening van de kraan, welke werd verricht door [werknemer A], vond plaats vanaf de bovenste etage van het fabrieksgebouw op 35 meter hoogte Nadat [benadeelde], die op de derde verdieping het steigermateriaal aan de kraanhaak moest bevestigen, het laatste materiaal had bevestigd, is hij naar beneden gegaan om [werknemer B] te helpen met het opstapelen van het naar buiten verplaatste materiaal [werknemer B] heeft, nadat de laatste last van de kraanhaak was losgemaakt, met de hand aan [werknemer A] een teken gegeven dat de kraanhaak weer naar boven gehaald kon worden. [werknemer A] zag dat de takel vrij was, is met ophalen begonnen en is vervolgens, direct uit de wind en uit het zicht van de takel, gaan staan wachten tot de takel boven was.
Ondertussen heeft [benadeelde], toen de takel omhoog ging, voor zijn plezier de aan de takel vastgemaakte stroppen gegrepen met de bedoeling om zich een stukje mee omhoog te laten hijsen en vervolgens de takel los te laten en naar beneden te springen. [werknemer A] heeft niet gezien dat [benadeelde] de stroppen gegrepen had en daardoor mee omhoog gehesen weid. Hangend aan de stroppen weid [benadeelde], dadelijk nadat hij los van de grond was, door de krachtige wind boven het opgestapelde steigermateriaal geblazen. [benadeelde] durfde toen de takel niet meer los te laten om naai' beneden te springen., Hij is de takel blijven vasthouden totdat zijn armen zijn gewicht niet meer konden houden. [benadeelde] is toen van 13 (tot 18) meter hoogte naar beneden gevallen, waarbij hij ernstig letsel heeft opgelopen.,
2.3 Naar aanleiding van het ongeval ïs door de arbeidsinspectie een onderzoek
ingesteld. In het Ongevallen-Boeterapport van 3 november 2000 wordt geconstateerd
dat Hertel in strijd met artikel 16, lid 9 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998
juncto artikel 7.18a, lid 5 van het Arbeidsomstandighedenbesluit heeft gehandeld.
2.4 In het Ongevallen-Boeterapport staat:
- als verklaring van [werknemer B] (bijlage 6 bij voormeld rapport):
"(...) Toen al het materiaal los was en de takel vrij was op ik door middel van een handteken [werknemer A] opdracht gegeven om de takel weer op te hijsen. Toen de takel omhoog ging zal ik plotseling dat [benadeelde] de beide stroppen in de takel greep en zich op liet hijsen. Ik heb nog geroepen loslaten of zoiets, maar [benadeelde] hield vast. (…)"
- als verklaring van [benadeelde] (bijlage 10 bij voormeld rapport):
“(...) Toen wij klaar waren ging ik wat spelen met de haak van de kraan Een beetje aan de stroppen gaan hangen. Dat doen wij wel meer in de haven waarna je je dan in het water laat vallen. Deze keer schrok ik echter want de haak kwam precies boven het beneden opgestapelde materiaal te hangen. Ik was inmiddels ruim 2 meter boven de grond en dorst daarom niet meer los te laten. (...)"
2.5 Artikel 7:18a, lid 5 Arbeidsomstandighedenbesluit luidt:
"Hijs- en hefwerktuigen voor niet-geleide lasten (..)
5. Wanneer de bediener van een hijs- of hefwerktuig noch rechtstreeks noch door middel van informatieverstrekkende hulpmiddelen de volledige baan van de last kan volgen, wordt een werknemer aangewezen die met de bediener in verbinding staat om hem te leiden ."
2.6 Bij beschikking van 18 januari 2001 heeft de arbeidsinspectie Hertel een
boete van M,G 5 625,00 opgelegd.
2.7 (werkvoorbereider), in 2000 werkvoorbereider bij Hertel, heeft op 1 maart
2005 verklaard (productie 9 bij conclusie van antwoord):
"(….) Als werkvoorbereider gaf ik instructies aan de eigen steigerbouwers van Hertel en aan de ingeleende steigerbouwers. Eens in de twee maanden vonden toolbox meetings plaats waarin de veiligheid op het werk aan de orde werd gesteld In deze toolbox meetings werd duidelijk gemaakt dat met het gereedschap en het hijsmateriaal niet gespeeld mocht worden. De steigerbouwers wisten dat ze niet aan de kranen mochten hangen De ingeleende en de eigen werknemers zijn allemaal in het bezit van veiligheidsdiploma's, zoals VCA Wij verwachten van hen dat zij verantwoordelijk omgaan met het materieel. Ik was er niet mee bekend dat [benadeelde] en zijn collega 's voor hun plezier kennelijk wel eens aan de kranen hingen. Bij mijn collega-leidinggevenden was dit ook niet bekend. Ah ik of één van mijn collega-leidinggevenden had geweten dat één van de (ingeleende) werknemers voor hun plezier aan kranen hingen» dan had deze werknemer zijn spullen kunnen pakken en had hij niet meer mogen werken voor Hertel of onder verantwoordelijkheid van Hertel (..)."
2.8 In eerste aanleg vorderde [benadeelde] – na vermindering van eis –
(a) verklaring voor recht dat Unitech en Hertel aansprakelijk zijn voor de schade
als gevolg van het hem overkomen bedrijfsongeval van 5 april 2000 en (b) veroordeling
van Unitech en Hertel ter zake van de schade tot betaling van € 175.082,81,
te vermeerderen met de wettelijke termijn vanaf 1 januari 2005,. [benadeelde]
heeft zijn rechtsvordering jegens Unitech en Hertel uitdrukkelijk gebaseerd
op artikel 7:658 BW.
2.9 De rechtbank heeft de vordering van [benadeelde] afgewezen, met veroordeling
van [benadeelde] in de proceskosten.
De rechtbank heeft onder 5 overwogen dat de uitleg aan het begrip ‘in de uitoefening van zijn werkzaamheden' niet zo ver mag worden opgerekt dat daaronder ook vallen gedragingen van de werknemer, weliswaar gepleegd tijdens zijn werktijd en op de werkplek, maar niets van doen hebbend met de werkzaamheden die de werknemer krachtens arbeidsovereenkomst verricht en die kunnen worden gekenschetst als gevaarlijke spelletjes met materialen of' gereedschappen van de werkgever. Zulk gedrag behoort – aldus de rechtbank – niet beschermd te worden door artikel 7:658 BW.
Onder 18. heeft de rechtbank overwogen dat [benadeelde] zich bewust roekeloos heeft gedragen en onder 9 dat ook Unitech en/of Hertel of 'personen waarvoor zij verantwoordelijk zijn, tekortgeschoten zijn, immers heeft kraanmachinist [werknemer A] in strijd met de afspraak de communicatie (het visueel contact tussen hem en de takel en/of [werknemer B] verbroken, Naar het oordeel van de rechtbank is het ongeval echter in zodanige mate aan de bewuste roekeloosheid van [benadeelde] te wijten, dat daarbij het tekortschieten van Unitech en/of Hertel in het niet valt. Het tekortschieten van Unitech en/of Hertel is geen omstandigheid die matigend werkt op de ernst van de roekeloosheid waarmee [benadeelde] heeft gehandeld.
3. In het principaal appel vordert [benadeelde] vernietiging van het bestreden
vonnis en toewijzing van zijn – gewijzigde – eis tot (a) verklaring
voor recht dat Unitech en Hertel aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg
van het hem overkomen bedrijfsongeval van 5 april 2000, (b) veroordeling van
Unitech en Hertel ter zake van de bij inleidende dagvaarding vermelde schadeposten
tot betaling van € 175.082,81, te vermeerderen met de wettelijke rente
vanaf 1 januari 2005 en (o) veroordeling van Unitech en Heitel tot betaling
van de verdere schade op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet
Met de vijf principale grieven komt [benadeelde] op tegen de afwijzing van de
aansprakelijkheid van Unitech en Hertel. De grieven lenen zich voor gezamenlijke
behandeling,,
4. Voor het geval het hof tot het oordeel mocht komen, dat het ongeval niet
in zodanige mate aan de bewuste roekeloosheid van [benadeelde] te wijten is
dat daarbij het tekortschieten van Unitech en/of Hertel of personen waarvoor
zij verantwoordelijk zijn, in het niet valt en het vonnis van de rechtbank om
die reden vernietigd zou moeten worden, stelt Hertel onder1 aanvoering van één
grief incidenteel appel in. De (voorwaardelijk) incidentele grief is gericht
tegen het oordeel van de rechtbank dat Hertel is tekortgeschoten in enige zorgverplichting.
in het principaal appel
aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW
5 1 De werkingssfeer van artikel 7:658 BW wordt bepaald door (1) het werkplekvereiste
en (2) het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden
is overkomen.
In HR 22 januari 1999 (NJ 1999,534) brengt de Hoge Raad het werkplekvereiste in verband met de grondslag van artikel 7:658 BW. De Hoge Raad wijst erop dat de in dit artikel neergelegde verplichting niet slechts voortvloeit uit de sociaaleconomische positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar ook nauw verband houdt met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid zijn werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. Ontbreken deze zeggenschap en bevoegdheid, dan brengt dit mee dat de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor ongevallen die de werknemer overkomen, ofschoon samenhangend met zijn werkzaamheden, niet wordt beheerst door de bijzondere regeling van artikel 7:658 BW, maar telkens naar de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beantwoord aan de hand van wat in dat geval het goed werkgeverschap meebrengt. Het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen, dient ruim te worden uitgelegd. Aan dit vereiste is voldaan, wanneer de feiten inhouden dat de schade het gevolg is van een ongeval dat de werknemer is overkomen, terwijl hij krachtens zijn arbeidsovereenkomst werkzaamheden verrichtte op de werkplek. Daaraan kan niet afdoen dat de werknemer bij het verrichten van die werkzaamheden mogelijkerwijs is afgeweken van de hem gegeven opdracht (HR 15 december 2000; LJN: AA904S rov. 3.3) In zijn conclusie in deze zaak schrijft procureur-generaal mr. Strikwerda onder 14. dat "een tijdens de diensttijden op de werkplek eigenmachtig, of zelfs' in strijd met uitdrukkelijke instructies van zijn werkgever handelende werknemer zichzelf niet buiten de werkingssfeer van de bijzondere aansprakelijkheidsbepaling van art. 7:658 BW plaatst. (…) De bepaling is, reeds omdat aan het werkplekvereiste is voldaan, van toepassing,, Daaraan doet niet af dat het gedrag van de werknemer van invloed kan zijn op de beoordeling van de aansprakelijkheidsvraag overeenkomstig het tweede lid."
5.2 In het onderhavige geval is onomstreden dat [benadeelde] op het bedrijfsterrein
van Corus-Hoogovens werkzaam was krachtens zijn arbeidsovereenkomst met Unitech
en dat het ongeval [benadeelde] binnen werktijd is overkomen Het staat immers
vast dat Unitech [benadeelde] aan Hertel had uitgeleend voor het verrichten
van steigerbouw werkzaamheden op het bedrijfsterrein van Corus/Hoogovens, Het
bedrijfsterrein van Corus/Hoogovens heeft, ongeacht de mate van zeggenschap
die Unitech over [benadeelde] behield, als werkplek te gelden,, Voorts was het
werk eerst afgerond op het moment dat de kraan weer boven was,, Niet is gesteld
of gebleken dat de werktijd van [benadeelde] ten tijde van het ongeval reeds
was verstreken. Dat het gaan hangen aan kranen binnen de ruime uitleg van de
zinsnede "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" valt, volgt alleen
al uit het feit dat de "werkgever" (bij monde van werkvoorbereider
(werkvoorbereider) benadrukt dat de werknemers uitdrukkelijk worden geïnstrueerd
dat niet te doen, terwijl Hertel bij conclusie van antwoord onder 5.1 2 stelt
dat disciplinaire maatregelen zouden zijn genomen tegen de (ingeleende) werknemers,
als leidinggevenden van Corus of Hertel hiermee bekend waren geweest.
5.3 De rechtbank heeft derhalve, door ervan uit te gaan dat voor de toepasselijkheid
van artikel 7:658 BW van belang is of het ongeval is ontstaan in verband met
de overeengekomen werkzaamheden en overeenkomstig de richtlijnen van de werkgever;
blijk gegeven van een te beperkte en dus onjuiste opvatting over het toepassingsbereik
van artikel 7:658 BW.
6. Artikel 7:658 lid 2 BW bepaalt dat de werkgever aansprakelijk is voor de
schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij
hij aantoont (1) dat hij zijn uit het eerste lid voortvloeiende zorgplicht is
nagekomen of (2) dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of
bewuste roekeloosheid van de werknemer.
7.1 In HR 14 oktober 2005 (NT 2005,539) overwoog de Hoge Raad dat artikel 7:658
lid 2 BW ertoe strekt de werknemer te beschermen, door bij de aan zijn schuld
te stellen eisen rekening te houden met het ervaringsfeit dat de dagelijkse
omgang met machines, werktuigen en gereedschappen de werknemer die deze gebruikt,
er licht toe zal brengen niet alle voorzichtigheid in acht te nemen die ter
voorkoming van ongelukken geraden is. Van bewust roekeloos handelen is alleen
sprake ingeval de werknemer zich direct voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk
bewust is geweest van het roekeloze karakter van zijn gedraging(en).
7.2 Het grijpen van de stroppen van een kraanhaak die wordt opgetakeld om zich
een stukje mee omhoog te laten hijsen moet naar het oordeel van het hof aangemerkt
worden als roekeloos gedrag. Dit gedrag komt niet voort uit onvoorzichtigheid
vanwege de dagelijkse omgang met kranen. Dat aan deze gedraging een groot ongevalsrisico
is verbonden blijkt uit de omstandigheden van het geval: de halkraan was bevestigd
op 35 meter hoogte; op 5 april 2000 was het koud en stond er een vrij krachtige
wind; het gevaar bestond dat de handspieren zouden verkrampen of verslappen
waardoor degene die aan de kraan hing het niet zou houden; voorts bestond het
gevaar dat de wind de kraanhaak in allerlei richtingen zou blazen, zoals in
dit geval boven het opgestapelde steigermateriaal; de landing zou plaatsvinden
op een harde ondergrond, niet – bij voorbeeld – het water van de
haven.
Voorts is het hof van oordeel dat [benadeelde] zich direct voorafgaand aan het ongeval daadwerkelijk bewust moet zijn geweest van het roekeloze karakter' van zijn gedrag, Hij wist dat "het kraanspel” verboden/heimelijk was. De collega's speelden "het kraanspel" nooit als leidinggevenden daarbij aanwezig waren, [benadeelde] had "het kraanspel niet eerder boven een harde ondergrond "gespeeld", Hoewel [werknemer B] nog "loslaten" naar hem riep, bleef [benadeelde] toch de stroppen vasthouden. [benadeelde] was de gehele dag op de werkplek werkzaam geweest. Hij wist dat het er koud en winderig was.
8. Ook Unitech en/of Hertel of personen waarvoor zij verantwoordelijk waren,
zijn naar het oordeel van het hof tekortgeschoten.
[werknemer A] heeft – in strijd met de instructies – niet naar de kraanhaak gekeken, totdat deze boven was. Wel heeft hij gecontroleerd of de stroppen vrij waren, toen de takel omhoog ging. De stroppen waren toen leeg en al het steigermateriaal bevond zich reeds op de begane grond. [werknemer B] heeft aan [werknemer A] het teken gegeven dat de kraanhaak weer omhoog kon worden gehesen., Er waren geen factoren die [werknemer A] ertoe noopten de gehele tijd zicht te houden op de stroppen, ook al waren de instructies andersluidend.
Unitech en/of Hertel kan verweten worden dat [werknemer B] en [werknemer A] bij de hijswerkzaamheden niet waren voorzien van goed welkende communicatiemiddelen. Mogelijk waren de gevolgen van het ongeval minder ernstig geweest of uitgebleven, indien beiden gebruik hadden kunnen maken van deze communicatiemiddelen.
9. Het hof is van oordeel dat Unitech en/of Hertel en [werknemer A] zijn tekortgeschoten,
maar dat tekortschieten valt in het niet bij het bewust roekeloos handelen van
[benadeelde]. [benadeelde] heeft door de stroppen van de opgaande kraanhaak
vast te grijpen bewust gevaar gezocht. De oorzaak van het ongeval is in belangrijke
mate gelegen in het bewust roekeloos handelen van [benadeelde]. [werknemer A]
hoefde er geen rekening mee te houden dat, na het teken van [werknemer B] dat
de kraanhaak weer kon worden opgehesen, [benadeelde] aan de stroppen zou gaan
hangen. De afwezigheid van communicatiemiddelen doet aan het voorgaande niet
af, Dit leidt ertoe dat Unitech en/of Hertel jegens [benadeelde] niet aansprakelijk
zijn op grond van artikel 7:658 BW.
aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW
10.1 [werknemer A] is tekortgeschoten in de op hem rustende verplichting om
de kraanhaak te volgen totdat die boven was. Ingevolge artikel 6:170 lid 1 BW
is Unitech en/of Hertel jegens [benadeelde] aansprakelijk voor de schade die
is toegebracht door de fout van [werknemer A],
10.2 De in artikel 6:101 BW voorziene billijkheidscorrectie brengt mee dat schade
die een werknemer in dienstverband overkomt en mede het gevolg is van een omstandigheid
die aan die werknemer kan worden toegerekend, geheel voor rekening van de werkgever'
komt, tenzij de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste
roekeloosheid van de werknemer (HR 9 november 2001, NT 2002, 79).
10.3 Nu het hof van oordeel is dat de oorzaak van het ongeval in belangrijke
mate is gelegen in het bewust roekeloos handelen van [benadeelde], zijn Unitech
en/of Hertel niet schadeplichtig op grond van artikel 6:170 BW.
11. De slotsom is dat het hoger beroep faalt., Het bestreden vonnis zal –
met verbetering van gronden – worden bekrachtigd. Daarbij past een veroordeling
van [benadeelde] in de kosten van het geding in het principaal appel
in het voorwaardelijk) incidenteel appel
12. De voorwaarde waaronder incidenteel appel is ingesteld is niet vervuld,
zodat het hof aan dat beroep voorbij gaat Overigens behoefde Hertel bij gebrek
aan belang bij een ander dictum niet incidenteel te appelleren,, Door niet (incidenteel)
te appelleren moet Hertel niet geacht worden haar stellingen en weren te hebben
prijsgegeven, nu het hof gelet op de positieve zijde van de devolutieve werking
van het appel, zo nodig met aanvulling van rechtsgronden ingevolge artikel 48
Rv, een bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat Hertel is tekortgeschoten
in enige zorgverplichting dient te onderzoeken. Nu het (voorwaardelijk) incidenteel
appel niet noodzakelijk was blijft ter zake daarvan een kostenveroordeling achterwege.
Beslissing
Het hof:
in het principaal en het (Voorwaardelijk) incidenteel appel
- bekrachtigt – met verbetering van gronden – het tussen partijen
gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht,
van 27 oktober 2005;
in het principaal appel
- veroordeelt [benadeelde] in de kosten van het geding in het principaal appel, welke kosten tot op heden aan de zijde van Unitech worden bepaald op nihil, en aan de zijde van Hertel op € 24S700 aan griffierecht en € 2.632,00 aan salaris voor de procureur;
- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af het meer of anders gevorderde.