Fietser wordt aangereden door een bus, in hoeverre kan de fietser een beroep doen op de bescherming van artikel 185 WVW?

Wat is er gebeurd? Op 23 oktober 2017 vindt er een ongeval plaats tussen een fietser en een bus. De fietser verlaat via de inrit van een parkeergarage van het Paleis van Justitie in Den Haag en draaide rechtsaf de straat op. Ter hoogte van het direct naast de inrit van de parkeergarage gelegen pand aan de straat komt de fietser te vallen. De bus is over haar linkerarm gereden, als gevolg waarvan zij ernstig armletsel heeft opgelopen.

Afspraak maken met een Letselschadespecialist

 

 

Proces verbaal toedracht ongeluk met letselschade

IN het proces verbaal dat Politie in Den Haag opmaakte staat het ongeluk als volgt beschreven:

"HTM chauffeur, [naam bestuurder stadbus] , reed in de HTM bus (…) op de Theresiastraat. Komende uit de richting van het Prins Clauslaan, gaande in de richting van de Laan van Nieuw Oost Indië. Ter hoogte van de inrit parkeergarage paleis van justitie zag hij een fietser uit deze parkeergarage fietsen, voor hem gezien van rechts. Hij week uit naar links om een aanrijding te voorkomen. Hij zag vervolgens in zijn rechter buitenspiegel dat de fietser ten val kwam.
Hij reed daar max 30 km per uur omdat hij wist dat de Theresiastraat altijd druk is met verkeer. Hij heeft geen klap van een aanrijding gehoord. Alwaar de fietser uit kwam rijden betreft geen uitrit, namelijk alleen een inrit van de parkeergarage.
Fietser, [verzoekster] (…) was in shock door de val cq aanrijding.
Ze kon vertellen dat zij vanuit de parkeergarage Paleis van Justitie kwam fietsen. Vervolgens zag zij de HTM bus en kwam zij ten val. GGD ter plaatse. Mogelijk is zij toch met haar linkerarm onder de wiel van de bus terecht gekomen. Ze had flinke verwonding aan haar arm, dik en rood. In de ambulance is zij onder narcose gebracht om de pijn te bestrijden en is zij vervoerd naar het Westeinde ziekenhuis.
Verklaring slachtoffer: Ze fiets uit de uitrit parkeergarage paleis van Justitie. Vervolgens wil zij rechtsaf de Theresiastraat op fietsen. Zij maakt die bocht naar rechts en ziet vervolgens achter haar de bus rijden. Zij komt vervolgens ten val omdat zij min of meer klem komt te zitten tussen de bus en de geparkeerde voertuigen.”

Bescherming van de zwakke verkeersdeelnemer 185 WvW

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad geldt in een geval als dit, waarin sprake is van een verkeersongeval waarbij een motorrijtuig en een fietser betrokken zijn en waarbij deze laatste letselschade oploopt, de zogenaamde 50%-regel. Deze regel houdt kort gezegd in dat de eigenaar van het motorrijtuig (of diens WAM-verzekeraar) op billijkheidsgronden gehouden is tenminste 50% van de schade te vergoeden, wegens de verwezenlijking van het aan motorrijtuigen ten opzichte van kwetsbare verkeerdeelnemers verbonden gevaar (“Betriebsgefahr”). De verzekeraar heeft aansprakelijkheid voor 50% van de schade erkend.

Deelgeschil procedure letselschade

De fietser is het niet eens met de erkenning van aansprakelijkheid voor 50%. De fietser claimt 100% in deelgeschilprocedure.
In een deelgeschil vraagt de fietser de busmaatschappij en verzekeraar te veroordelen tot betaling van meer dan 50% van de schade, en op grond van de ernst van het letsel (de zogenaamde billijkheidscorrectie) te bepalen dat 100% van de schade wordt vergoed, de busmaatschappij en de verzekeraar betwisten dat en stellen dat zij maar 50% hoeven te betalen op grond van artikel 185 WVW.

Rechtbank Den Haag

De Rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen in welke mate de aan de fietser dan wel aan de busmaatschappij toe te rekenen omstandigheden aan het ongeval hebben bijgedragen, de wederzijdse causaliteit (artikel 6:101 BW). De busmaatschappij en de verzekeraar moeten dan bewijzen dat bij de fietser sprake is geweest van gedragingen die hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade. De Rechtbank stelt dan het volgende:

4.6.1.
Verweerders hebben in dit kader gesteld dat [verzoekster] ten onrechte geen voorrang heeft verleend aan de stadsbus, welk feit zwaar dient te wegen. De stadsbus was de inrit van de parkeergarage al aan het passeren op het moment dat [verzoekster] de Theresiastraat op fietste, zodat de buschauffeur niets anders meer kon doen dan naar links uitwijken, zoals hij heeft gedaan. Het ongeval is dan ook geheel en al te wijten aan het verkeersgedrag van [verzoekster] , aldus verweerders. [verzoekster] heeft gesteld dat zij bij het verlaten van de parkeergarage de bus niet heeft waargenomen en dat zij al rechtdoor op de weg reed toen zij van achteren werd klem gereden door de bus.
4.6.2.
De rechtbank is op basis van de stukken, waaronder het proces-verbaal van de politie Haaglanden en de foto’s van de situatie ter plaatse, alsmede de hierop ter zitting door partijen gegeven nadere toelichting van oordeel dat in dit geval sprake is geweest van een verkeersfout van [verzoekster] , welke fout in belangrijke mate aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Vaststaat dat [verzoekster] vanuit de parkeergarage langs de rechterpilaar (productie 3 bij verweerschrift) over het trottoir de verlaagde inrit is uitgereden en rechtsaf de Theresiastraat is opgedraaid. Dit betreft een bijzondere manoeuvre in de zin van artikel 54 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) waarbij zij het overige verkeer moet voor laten gaan. Gelet op de grootte van de bus en de verkeerssituatie ter plaatse had zij bij normale oplettendheid na het passeren van de rechterpilaar van de parkeergarage de door [naam bestuurder stadbus] bestuurde stadsbus kunnen zien aankomen, als zij naar links had gekeken. Dat [verzoekster] , zoals zij ter zitting heeft verklaard, de bus niet heeft gezien, kan niet anders betekenen dan dat zij niet (bewust) naar links heeft gekeken, alvorens zij de Theresiastraat op draaide. De verklaring van [verzoekster] dat de bus haar achterop is gekomen zou verklaard kunnen worden doordat zij vanaf de pilaar schuin over het trottoir naar rechts is gereden en toen de bus naast zich waarnam en klem kwam bij de geparkeerde auto ter hoogte van Theresiastraat nr. 15. Door de weg op te draaien zonder zichzelf ervan te vergewissen of de verkeerssituatie dat toeliet, heeft [verzoekster] in belangrijke mate bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
4.6.3.
Het voorgaande neemt niet weg dat een ter plaatse bekende buschauffeur als [naam bestuurder stadbus] rekening dient te houden met de mogelijkheid van fietsers die geen voorrang verlenen. Als niet weersproken staat vast dat [naam bestuurder stadbus] zijn snelheid reeds had aangepast, alsmede dat hij naar links is uitgeweken op het moment dat hij [verzoekster] de parkeergarage uit zag komen fietsen. De aanwezigheid van tegenliggers op de Theresiastraat beperkt de mogelijkheid om naar links uit te wijken. [naam bestuurder stadbus] kon [verzoekster] niet al op een eerder moment zien aankomen, omdat zij - zoals ter zitting aan de hand van foto’s met partijen is vastgesteld - achter een pilaar van de parkeergarage vandaan is gekomen. Dat betekent dat de mate waarin het rijgedrag van [naam bestuurder stadbus] aan het ontstaan van het ongeval heeft bijgedragen in dit concrete geval zeer beperkt wordt geacht.
Door [verzoekster] is weliswaar gesteld dat de stadsbus haar heeft geraakt en dat zij dáárdoor ten val is gekomen, maar dat is niet komen vast te staan. In de verklaringen die zowel [verzoekster] als [naam bestuurder stadbus] vlak na het ongeval hebben afgelegd, staat enkel dat zij ten val kwam, doordat zij, nadat zij de weg opdraaide, min of meer “klem kwam te zitten” tussen de bus en de naast de weg geparkeerde auto’s. De stadsbus vertoonde geen contactsporen. [verzoekster] heeft ter zitting bovendien desgevraagd verklaard zich te herinneren dat zij haar evenwicht verloor door het opdoemen van de bus en hierdoor ten val is gekomen.
4.6.4.
Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat de fout van [verzoekster] voor 85% aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen en het rijgedrag van [naam bestuurder stadbus] voor 15%.
4.7.
Voor een schadevergoedingsplicht hoger dan de reeds erkende 50% zou slechts aanleiding bestaan indien de billijkheid dat in dit concrete geval zou vereisen. Gezien de uiteenlopende ernst van de verkeersfout die [verzoekster] heeft gemaakt ten opzichte van het rijgedrag van de buschauffeur bestaat naar het oordeel van de rechtbank in principe geen aanleiding voor een nadere billijkheidscorrectie. Hierbij is van belang dat door toepassing van de 50% regel het algemene Betriebsgefahr van een motorvoertuig reeds is verdisconteerd. De schadevergoedingsverplichting is hierdoor reeds met 35% verhoogd ten opzichte van de op de wederzijdse causaliteit gebaseerde uitkomst. Voor een aanvullende billijkheidscorrectie op grond van een bijzonder groot Betriebsgefahr vanwege de omvang en massa van de bij het ongeval betrokken stadsbus, zoals door [verzoekster] bepleit, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding. Hoewel sprake is (geweest) van ernstig armletsel, is dit letsel evenmin zodanig dat dit een hoger schuldpercentage dan totaal 50% rechtvaardigt.

Afspraak maken met een Letselschadespecialist

 

 

Eigen schuld fietser, billijkheidcorrectie vanwege letselschade

In de beschikking komt de rechtbank tot de conclusie dat het merendeel van de gedragingen die hebben geleid tot dit ongeval aan de fietser moeten worden toegerekend, en niet aan de buschauffeur. De rechter komt tot het oordeel dat de fietser voor 85% schuldig is aan het ongeval, en de buschauffeur voor 15%. Door de fietser wordt nog een beroep gedaan op de billijkheidscorrectie, dat houdt in dat de rechter een hoger percentage aan de fietser kan toewijzen als het letsel dusdanig ernstig is dat het percentage op basis van alleen de schuldverdeling verhoogd moet worden. De rechter vindt echter dat dat percentage bij deze fietser en dit letsel nooit meer dan 35% zou zijn, waardoor de fietser hooguit op het percentage van 50% zal uitkomen, waar zij toch al recht op had op basis van de bescherming die zij op grond van artikel 185 WVW heeft in het verkeer bij letselschade.

Advies en hulp bij letselschade

Verkeersongevallen met ernstige verwondingen van een fietser of voetganger, waarbij ook een motorrijtuig is betrokken, laten keer op keer zien dat het verstandig is een letselschadespecialist of letseladvocaat in de arm te nemen. De kosten van een letselschade-expert worden in vrijwel alle gevallen door de verzekeraar van de veroorzaker vergoed op grond van de wet. Heb je nog geen belangenbehartiger, neem dan contact met ons op over de te ondernemen stappen, telefonisch via het gratis nummer 0800-44 55 000.

Door: Reint Rengers, NIVRE expert personenschade, Registerarbeidsdeskundige

Schrijf een reactie


Reacties

Er zijn nog geen reacties.


Schrijf een reactie

Volg ons   LinkedIn   Twitter   Facebook