Aannemer aansprakelijk voor letselschade ZZP-er

Aannemer aansprakelijk voor letselschade ZZP-er op grond van artikel 7:658 lid 4 BW. Schadevergoedingsplicht van de hoofdaannemer voor de door de onderaannemer ingeschakelde ZZP-er.

In 2010 geeft een onderneming de opdracht aan een hoofdaannemer om de schade aan kassen te herstellen. De hoofdaannemer schakelt vervolgens een onderaannemer in om een deel van het werk uit te voeren. De onderaannemer werkt met ZZP-ers die de werkzaamheden voor haar uitvoeren. Eén van de ZZP-ers loopt in de uitoefening van deze werkzaamheden letselschade op. Er valt een stuk glas uit de sponning op zijn arm waardoor er ernstige verwondingen ontstaan. De ZZP-er stelt vervolgens de onderaannemer aansprakelijk op grond van artikel 7:658 lid 4 BW, werkgeversaansprakelijkheid. De verzekeraar van de onderaannemer erkent aansprakelijkheid voor de letselschade en keert een voorschot uit op de schadevergoeding. De verzekeraar van de onderaannemer vindt de hoofdaannemer mede-aansprakelijk vanwege werkgeversaansprakelijk (7:658 lid 4 BW). De verzekeraar van de onderaannemer vergoedt de letselschade en wil regres nemen op de verzekeraar van de hoofdaannemer voor een deel van de letselschade.

Letselschade ZZP-er

De rechtbank wees de vordering af. Hierop gaat de advocaat in hoger beroep bij het hof Arnhem. Het hof Arnhem geeft uitleg over de grondslag van artikel over werkgeversaansprakelijkheid. Het artikel beschermt de persoon die in de uitoefening van zijn opgedragen werkzaamheden letselschade oploopt door een tekortschieten in het treffen van veiligheidsmaatregelen, ook in de situatie dat er geen arbeidsovereenkomst bestaat. Het gaat hierbij om de persoon die zich wat betreft de zorgverplichtingen van een werkgever, in een vergelijkbare positie bevindt als een werknemer.
Dit houdt in dat dit artikel ook van toepassing kan zijn op een persoon buiten dienstbetrekking als deze voor de zorg en veiligheid op de werkvloer mede afhankelijk is van degene voor wie hij de werkzaamheden verricht. Om dit te beoordelen moet worden gekeken naar de feitelijke situatie. Welke is de verhouding tussen de ZZP-er en de opdrachtgever of aannemer. Welke invloed heeft de opdrachtgever of aannemer op de veiligheid. Wie geeft instructies of bepaalt wat en hoe de werkzaamheden verricht moeten worden. Wordt er gebruik gemaakt van hulppersonen om de ZZP-er voor het uitoefenen van invloed op de werkomstandigheden of veiligheidsrisico’s.

Zorgplicht, zeggenschap, instructies en toezicht

Tussen partijen staat vast dat er een arbeidsongeval plaatshad en de ZZP-er daarbij letselschade opliep. Ook staat vast dat er sprake was van een aanneemovereenkomst en onderaanneming van werk. Getwist wordt over de vraag van wie het slachtoffer met letselschade afhankelijk was voor zijn zorg over veiligheid. Kortom op wie de zorgplicht rustte. Het hof Arnhem gaat hierop in.

Het hof Arnhem stekt voorop dat het aan de hoofdaannemer is om er voor te zorgen dat de door haar aangenomen werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De hoofdaannemer heeft zeggenschap over het aangenomen werk. Het was aan haar om in overleg met de onderaannemer te bepalen op welke wijze de werkzaamheden zullen worden uitgevoerd. De hoofdaannemer is daarmee verantwoordelijk voor de veiligheid op de arbeidsplaats. Dit wordt overigens ook tijdens de comparitie erkend door de hoofdaannemer.

Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidsomstandighedenbesluit

Gezien destijds geldende Arbeidsomstandighedenwet en het Arbeidsomstandighedenbesluit (2.31), diende de hoofdaannemer er voor te zorgen dat zij zelf en andere werkgevers op de bouwplaats doeltreffende maatregelen zouden nemen ter voorkoming van arbeidsongevallen. De hoofdaannemer moet hiertoe (voorafgaand aan het starten van de werkzaamheden) met de onderaannemers de risico’s inventariseren en afspraken maken over instructie, toezicht, controle en het treffen van veiligheidsmaatregelen. Dit geldt des te meer als de hoofdaannemer een groot deel van de werkzaamheden uitbesteed aan de onderaannemer. En zoals in het onderhavige geval, omdat de onderaannemer het zelf te druk had en over onvoldoende mensen beschikte om de werkzaamheden zelf uit te voeren. Maar ook omdat de  onderaannemer zelf geen personeel in dienst had en daarvoor ZZP-ers in huurde.

Aldus de onderaannemer was er een risico-inventarisatie en evaluatie opgesteld. Ook is het plan van aanpak besproken. Het hof Arnhem interpreteert dat dus kennelijk een aantal veiligheidsaspecten onder ogen is gezien. Uit afgelegde getuigenverklaringen blijkt dat in algemene zin is gesproken voer de verdeling van het werk en de veiligheidsmaatregelen. Het hof vindt dat niet voldoende om aan te nemen dat daarmee is voldaan aan de zorgverplichtingen van artikel 7:658. Er blijkt niet van een inventarisatie van de risico’s van werken op hoogte of met glas. Ook blijkt niet van controle op het naleven van instructies. Het maakt daarbij niet uit dat de hoofdaannemer heeft gevraagd om gespecialiseerd personeel. Ook de afspraak dat de onderaannemer zelf verantwoordelijk was voor zijn personeel maakt de beoordeling niet anders, immers de hoofdaannemer had zeggenschap over de werkomstandigheden en veiligheidsmaatregelen.

Hoofdelijke aansprakelijkheid letselschade

Omdat zowel de hoofdaannemer als de onderaannemer tekort schiet in de zorgplicht van artikel 7:658 BW, houdt het hof Arnhem beiden hoofdelijk aansprakelijk voor de letselschade van de ZZP-er. Dit houdt in dat het letselschade slachtoffer zijn hele schade kan verhalen op een van de partijen.
Vervolgens moet worden bepaald voor welk deel de aannemer en onderaannemer in de onderlinge verhouding tegenover elkaar moeten bijdragen. Het gaat hierbij om de onderlinge verhouding krachtens artikel 6:10 BW. De letselschade moet over hen worden verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, aldus artikel 6:102 BW. Het hof Arnhem vindt de onderaannemer voor een groter deel verantwoordelijk dan de hoofdaannemer. Op beide partijen rustte een zorgplicht, en in dat kader waren er werkbesprekingen over de uitvoering. Echter tussen partijen werd afgesproken dat de onderaannemer zou toezien op persoonlijke beschermingsmaatregelen van de door hem in te schakelen ZZP-ers. De zorg voor de ZZP-ers lag dus primair op de onderaannemer. Het gewonde slachtoffer droeg geen moffen die zijn onderarmen moesten beschermen, en het opgelopen letsel had kunnen voorkomen. Het was aan de onderaannemer om zorg te dragen voor deze persoonlijke beschermingsmiddelen. Om deze reden acht het hof Arnhem de onderaannemer, die de ZZP-er inhuurde in de onderlinge verhouding voor 70% aansprakelijk. De hoofdaannemer dient daarmee dus 30% te vergoeden. Het is niet zo dat er reden is voor een andere verdeling op grond van de ernst van de fouten over en weer of redelijkheid en billijkheid.

Letselschadespecialist adviseert over aansprakelijkheid ZZP-er

Een vergaande uitspraak over de schadevergoedingsplicht van een ZZP-er die letselschade oploopt. Via het artikel dat gaat over werkgeversaansprakelijkheid (en dan lid 4) wordt de zorgplicht over de veiligheid neergelegd bij formeel en materieel werkgever, maar met deze uitspraak ook bij een partij met wie deze arbeidsbetrekkAannemer aansprakelijk voor letselschade ZZP-ering niet bestaat. Het hof Arnhem breidt in die zin de kring van aan te spreken partijen uit, dat zij er van uitgaat dat iedere medewerker bescherming hoort te genieten zoals ook een werknemer deze geniet. Het is dan vervolgens de partij die over deze veiligheid dient te waken die kan worden aangesproken. In dit geval de onderaannemer die de ZZP-er inhuurde, maar ook de hoofdaannemer omdat deze medeverantwoordelijk is voor de (algemene) veiligheid op de werkvloer. 

Meer weten over aansprakelijkheid bij letselschade, bel 0800-4455000

 

Bron: Hof Arnhem ECLI:NL:GHARL:2019:3353, arrest van 16 april 2019

Schrijf een reactie


Reacties

Er zijn nog geen reacties.


Schrijf een reactie

Volg ons   LinkedIn   Twitter   Facebook